AIR24.INFO

Are mensen dating lelijke

Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen



19 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `mens`

  1. alle mensen moeten leven (=gun de anderen ook wat)
  2. bomen ontmoeten mekaar niet, mensen wel. (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot.)
  3. de mens wikt, maar God beschikt. (=de mensen maken allerlei plannen, maar het is niet aan hen of dat ook gebeurt)
  4. de nieuwe mens aandoen (=zijn gewoonten en zeden verbeteren)
  5. de oude mens afleggen (=een nieuw leven beginnen - beterschap beloven)
  6. de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens. (=veel goede voornemens hebben zonder ze daadwerkelijk uit te voeren)
  7. een brutaal mens heeft de halve wereld. (=iemand die wat durft te zeggen krijgt het meestal wel voor elkaar)
  8. een gewaarschuwd mens telt voor twee. (=iemand die vooraf weet wat er fout kan gaan moet zich er maar op voorbereiden)
  9. een krul meer in zijn staart hebben dan een gewoon mens(=zich een beetje aanstellen)
  10. Een mens is geen aardappel (=Iedereen heeft zo nu en dan behoefte aan ontspanning)
  11. een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest. (=(doch dat nooit op zal dagen. Zo heeft men meer te dragen, dan God te dragen geeft. Nic. Beets))
  12. een paar mensen optrommelen. (=een paar mensen laten komen.)
  13. er is geen ijs of het kost mensenvleis (=als er ijs op de sloten en vijvers ligt, verdrinken er altijd mensen)
  14. niet door mensenhanden gebouwd (=door God of natuur tot stand gebracht)
  15. onder de mensen komen (=buitengaan , mensen ontmoeten)
  16. sinds mensenheugenis (=al lange tijd)
  17. van God en alle mensen verlaten (=afgelegen; stil)
  18. vis laat de mens zoals hij is (=van vis eten wordt je niet dik)
  19. wat de mens zaait zal hij maaien (=je moet er iets voor doen, als je wat wil krijgen)

79 betekenissen bevatten `mens`

  1. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  2. als de herder verdwaalt dolen de schapen. (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten)
  3. er is geen ijs of het kost mensenvleis (=als er ijs op de sloten en vijvers ligt, verdrinken er altijd mensen)
  4. hoe meer vis, hoe droever water (=als er meer mensen komen valt er minder te verdelen (erfenissen))
  5. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien. (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren.)
  6. een geplaveisde weg is des duivels oorkussen. (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  7. de pastoor gaat voor en de dominee loopt met hem mee. (=altijd eerst de machtige mensen, dan de mindere mens.)
  8. dat is een echte haai (=assertief en bijdehand mens)
  9. je moet geen slapende honden wakker maken. (=beter niet over een bepaald onderwerp beginnen / je moet aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen)
  10. ons kent ons. (=betrekkelijk afgesloten clubje mensen dat onderling de zaken regelt.)
  11. onder de mensen komen (=buitengaan , mensen ontmoeten)
  12. dat maakt van Jezus nog een ketter (=dat is zelfs bij de meest integer mens een schanddaad)
  13. die de minste tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het hoogste woord.)
  14. de grote vissen eten de kleine (=de grote (mensen) verdringen de kleine of geringen)
  15. homo homini lupus (=de mens benadert zijn medemens als een wolf)
  16. paarden die haver verdienen krijgen ze niet. (=de mensen die het hardste werken, krijgen het minste geld)
  17. de mens wikt, maar God beschikt. (=de mensen maken allerlei plannen, maar het is niet aan hen of dat ook gebeurt)
  18. de vrucht der ervaring rijpt niet aan jonge takken. (=de verstandigste opmerkingen komen van oudere mensen.)
  19. tussen die twee was er geen chemie (=die twee mensen hadden te veel karakterverschillen om goed te kunnen samenwerken.)
  20. zoete broodjes bakken (=dingen zeggen om een goede indruk achter te laten bij mensen met invloed.)
  21. de gekken krijgen de kaart. (=dwaze en onverstandige mensen krijgen hun gelijk of ze dat hebben of niet)
  22. door schade en schande wordt men wijs. (=een mens leert het beste van z'n fouten)
  23. het hart op de goede plaats hebben (=een oprecht en menslievend karakter hebben)
  24. een paar mensen optrommelen. (=een paar mensen laten komen.)
  25. verandering van spijs doet eten. (=eens iets anders te doen doet de mens goed)
  26. onze Lieve Heer heeft rare/vreemde kostgangers. (=er bestaan nu eenmaal merkwaardige mensen.)
  27. er verdrinken er meer in het glas dan in de zee. (=er gaan veel mensen dood door het drinken van alcohol)
  28. er zijn meer hondjes die Fikkie heten (=er zijn meer mensen/etc met dezelfde naam)
  29. aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  30. gelijke monniken gelijke kappen (=gelijke mensen verdienen/krijgen een gelijke behandeling)
  31. praten als Brugman (=gemakkelijk mensen kunnen overtuigen en vlot en boeiend kunnen vertellen)
  32. men wordt wel door een mestkar maar niet door een rijtuig overreden (=goed opgevoede mensen beledigen anderen minder)
  33. het is volle bak. (=het is helemaal uitverkocht; er zijn heel veel mensen.)
  34. met onwillige honden is het slecht hazen vangen. (=het is moeilijk om samen te werken met mensen die niet willen)
  35. de wolf ruit wel van baard maar niet van aard (=het karakter van de mensen verandert nooit)
  36. je zult ze maar de kost moeten geven. (=het zijn er veel (mensen).)
  37. zoals de wind waait, waait zijn jasje. (=hij gaat met de heersende mening mee of telkens van mening veranderen afhankelijk van de mensen om iemand heen)
  38. hoe meer zielen, hoe meer vreugd. (=hoe meer mensen er bij zijn, hoe leuker dat het is.)
  39. rozen voor de varkens/zwijnen strooien (=iets goed doen voor mensen die dat niet waarderen)
  40. veel stof doen opwaaien (=iets heeft grote invloed op wat er leeft bij mensen)
  41. zuivel op zuivel is voer voor de duivel. (=in de Middeleeuwen gebruikt om mensen van hekserij te beschuldigen, wanneer zij zuivel op zuivel op hun brood deden.)
  42. geen profeet is in zijn (eigen) land geëerd. (=in tegenstelling tot vreemden, zijn mensen uit je woonplaats minder bereid te luisteren)
  43. aan de heidenen overgeleverd (=in zware moeilijkheden - in de macht van mensen zonder scrupules)
  44. wie veel eist krijgt veel. Wie te veel eist krijgt niets. (=je kan door het te vragen veel bij mensen gedaan krijgen, maar als je onredelijk wordt zal je worden overgeslagen)
  45. leringen wekken maar voorbeelden trekken (=je kan mensen iets willen leren , maar geef vooral het goede voorbeeld)
  46. men moet geen oude bomen verplanten/verpoten/verplaatsen. (=je moet geen oude mensen uit hun vertrouwde omgeving halen)
  47. een goed hart is goud waard. (=je treft niet snel meer mensen met een goed karakter)
  48. iesus hominum salvator (=jezus de redder der mensheid)
  49. men kent een vogel aan zijn veren (=men kent de mens aan zijn gedragingen)
  50. die staat ziet toe dat hij niet valle. (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)

Het dialectenwoordenboek kent 133 spreekwoorden met `mens`

  1. Westerkwartiers: mens'nkiener en gien enne (=mensen nog es aan toe)
  2. Sint-Niklaas: Janneke Moan (=mensenbeeld dat men in de maan meent te ontdekken)
  3. Zeeuws: t ouw mense poete (=oma)
  4. Epers: (De meeste mensen gaan dood in bed) gekscherend gezegd als iemand aangeeft naar bed te gaan. (=Op berre goat de meeste mens'n doohd)
  5. Arendonks: guwd as botermelk (=brave mens)
  6. Bocholtz: kuuche (=dom mens)
  7. Hoeilaart: Dweize achterwetsouver (=Moeilijk mens)
  8. Sint-Niklaas: nun dwjeisachtuggen (=dwarsliggende mens)
  9. Lekkerkerks: bel nint mins (=welnee mens...)
  10. Texels: eerst gròòte mense, dan hangòòre (=kleine kinderen moeten op hun beurt wachten)
  11. Zwols: ik kenne 't ele mense niet (=ik ken die persoon helemaal niet)
  12. Twents: Zwiegen en denken kan gin mense krenken (=Met zwijgen en denken krenk je niemand)
  13. Sint-Niklaas: das ne sprinkoan (spierink) (=dat is een magere mens)
  14. Lochristis: ochirre, da schuip (=ocharme, het arme mens)
  15. Sint-Niklaas: wa e scharminkel (=wat een lelijke mens)
  16. Zaamslags: dasoek un portret oor (=dat is een typisch mens)
  17. Tilburgs: meens maaw nie zo (=mens, zeur niet zo)
  18. Sint-Niklaas: ne potter (=een spaarzame mens)
  19. Nuths: eine garetige (=een moeilijk mens)
  20. Tilburgs: unnen hawtere klaos (=een onbeholpen stijf mens)
  21. Hansbeeks: jis tjei pertang nie contreire (=Het is geen moeilijke mens)
  22. Flakkees: di heit stroengt anzn schoenen (=een hoogmoedig mens)
  23. Westerkwartiers: uutgepuderde deung'niet (=enorm slecht mens)
  24. Hoekschewaards: Een kwaoien errepel (=Een opstandig mens)
  25. Sint-Niklaas: ne spriet (=een zeer magere mens)
  26. Kaatsheuvels: hij ies een grôôt missoal (=hij is een gelovig mens)
  27. Westerkwartiers: dat mins is onleesboar (=dat mens is niet te doorgronden)
  28. brabants: menne mens(=mijn echtgenoot)
  29. Ursels: woar dat er zulken hondn bassn zijn der menschen thuis (=waar men dit geluid hoort (van blaffende honden) zijn er mensen thuis)
  30. Sint-Niklaas: mensen een oûr oanjaan (=mensen bedriegen)
  31. Westerkwartiers: dat mins is 'n steekje an lös (=dat mens is niet helemaal goed)
  32. Genneps: Ge wordt zô mar nie gek (=Een mens kan veel lijden)
  33. Walshoutems: Den dy van enne mins (=Het lot van een mens)
  34. Westerkwartiers: ze ree dat mins ien 'e wiel'n (=ze hinderde dat mens)
  35. Westerkwartiers: woar volk is wil volk weez'n (=mensen zijn graag waar mensen zijn)
  36. Munsterbilzen - Minsters: dat zieste van haaj, mene joeng ! (=ben je mal, mens !)
  37. Leefdaals: veel komplemente emme (=veel opmerkingen maken, een lastig mens zijn)
  38. Tilburgs: zèè de gè-ne pronte meens (=ben jij een oppassend mens)
  39. Westerkwartiers: dat mins wil 't midd'nste en de beide end'n (=dat mens is erg hebberig)
  40. Sint-Niklaas: das nen allemanswies (=die hond (mens) floddert met iedereen)
  41. Sint-Niklaas: nen duts va ne mengs (=een arme, simpele mens)
  42. Sint-Niklaas: die is mè geen tang vast te pakken (=vuile, vieze, onverzorgde mens)
  43. Westerkwartiers: wa's dat 'n vremd meubel (=wat is dat een raar mens)
  44. Volendams: ur is niks gekker as un mins (=Er is niets zo gek als een mens.)
  45. Nieuwerkerks: Da mensj kost è stikske kreften en zougen (=Dat mens kon een stukje zagen)
  46. Sint-Niklaas: die doedalles in 't geniep, 't is ne geniepigoard (=die doet alles heimelijk, het is een heimelijke mens)
  47. Lichtervelds: boîmtje groît, vintje doîd (=een boom leeft langer dan een mens)
  48. drents: volk van de deele (=asociale mensen)
  49. Amsterdams: Porder (=Iemand die mensen wekt)
  50. Munsterbilzen - Minsters: ne voeëgel kinste on ze ploeme (=de werkelijke mens herken je aan zijn kledij)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen
http://www.woorden.org/spreekwoord.php?woord=mens